Met het oog op 1995

Beleidsprogramma Emancipatie



11. FINANCIëN

11.1. DOELSTELLINGEN/KERNTAKEN DEPARTEMENT

  1. Het zorg dragen voor een zodanige omvang en financiering van het begrotingssaldo in samenhang met de ontwikkeling van de rijksuitgaven en -ontvangsten, dat op korte en middellange termijn een bijdrage wordt geleverd aan een evenwichtige economische ontwikkeling, mede rekening houdend met de internationele (inclusief europese) aspecten daarvan.
  2. Het zorg dragen voor een verantwoorde omvang en samenstelling van de overheidsuitgaven en een doelmatige besteding daarvan.
  3. Het zorg dragen voor een maatschappelijk verantwoorde omvang en samenstelling van de overheidsinkomsten, alsmede een doelmatige vergaring daarvan.
  4. Het zorg dragen voor een evenwichtige nationale monetaire ontwikkeling en het leveren van een bijdrage aan een evenwichtige internationale monetaire ontwikkeling.
  5. Het leveren van een bijdrage aan een geïntegreerd sociaal-economisch beleid, gericht op een evenwichtige sociaal-economische ontwikkeling.

11.2. VERTALING NAAR EMANCIPATIEDOELSTELLINGEN

Een parallel is te trekken met de door de SER geformuleerde emancipatiedoelstelling binnen de doelstellingen voor sociaal-economisch beleid, te weten:

Voor de bevordering van de arbeidsparticipatie is van belang dat belemmeringen worden weggenomen die een vrije keuze voor het verrichten van betaalde en onbetaalde arbeid, evenals voor een combinatie daarvan, in de weg staan.

De elementen bevordering van arbeidsparticipatie en de fiscale behandeling van verschillende leefvormen dienen bij de beleidsvoorbereiding en wetgeving met betrekking tot de fiscaliteit te worden meegewogen naast andere factoren die in dat kader van belang zijn.

11.3. FEITELIJKE ANALYSE EN KNELPUNTEN

11.3.1. Fiscaal beleid

De belangrijkste raakvlakken tussen het fiscale beleid en het emancipatiebeleid op sociaal-economisch terrein betreffen:

11.3.1.1. De discussie over de invloed van fiscale wetgeving op de keuze tot het al dan niet deelnemen aan betaalde arbeid

Als gevolg van de medio jaren '80 doorgevoerde wijzigingen in de fiscale wetgeving is de heffing toegespitst op het individuele inkomen met een uniforme belastingvrije voet. Uitzonderingen daarop zijn de heffing op inkomen uit vermogen, de meewerkaftrek en de mogelijkheid van overdracht van de basisaftrek ten gunste van de kostwinner.

Het laatste punt, de overdracht van de basisaftrek, heeft in het verleden aanleiding gegeven tot discussie over ontmoedigingseffecten die zouden optreden voor kleine tweeverdieners en de impliciete heffing bij herintreding wanneer het inkomen van de (ex-)kostwinner in een hogere schijf valt dan dat van de partner.

Met de invoering van de derde fase Tweeverdienerswetgeving, respectievelijk de Oort-voorstellen, zijn de financiële nadelen van de overdracht van de basisaftrek grotendeels weggenomen.

In de politieke discussie heeft de invloed van inkomensregelingen op de deelname aan betaalde arbeid de aandacht. In deze discussie worden kostwinnersfaciliteiten, zoals de overdracht van de basisaftrek betrokken. Hierbij speelt het uitgangspunt van de regering een rol dat ieder volwassen individu van de nieuwe generatie in staat kan worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien.

De Commissie Stevens geeft in haar rapport een uitvoerige beschrijving van de verschillende standpunten inzake de behandeling van alleenverdieners en tweeverdieners, zonder zich hierover nader uit te spreken. In de voorstellen van de commissie is ten aanzien van de mogelijkheid van overdracht van de basisaftrek geen voorstel tot wijziging gedaan.

Bij de begrotingsbehandeling van het Ministerie van SZW is in december 1991 de motie Van Zijl/Doelman-Pel aangenomen waarin de regering wordt gevraagd in het kader van de discussie over het rapport van de Commissie Stevens, afschaffing van de mogelijkheid van overheveling van de basisaftrek voor de nieuwe generatie te onderzoeken. Hierbij wordt de relatie gelegd met uitbreiding van de kinderbijslag en van ouderschapsvoorzieningen. De regering heeft naar aanleiding van deze motie een standpuntbepaling toegezegd.

11.3.1.2. De kosten van combinatie van ouderschap en betaalde arbeid

A -Fiscale behandeling van kosten van kinderopvang

Met betrekking tot de fiscale behandeling van de kosten van kinderopvang kan worden opgemerkt dat in de resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 31 oktober 1991 (DB91/1259) is neergelegd dat onder bepaalde voorwaarden de kosten van kinderopvang voor werknemers die daarvoor geen vergoeding ontvangen, voor zover zij normbedragen te boven gaan, tot aftrekbare kosten zijn te rekenen. Bij resolutie van 30 januari 1992 (DB92/7120) is met ingang van 1992 de belastingvrije vergoeding voor kinderopvang en de aftrekmogelijkheden van door de werknemer zelf gedragen kosten voor kinderopvang gemaximeerd tot f 20.000.

B -De middelen voor het kinderopvangbeleid

Bij invoering van de tweeverdienerswetgeving is in het kader van de fiscale tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang een aanvullende arbeidstoeslag ingevoerd alsmede een aanvullende alleenstaande-oudertoeslag voor alleenstaande ouders die buitenshuis werken. De met deze regelingen gemoeide middelen zijn bij invoering van de tweeverdienerswetgeving aangemerkt als onderdeel van het budget voor kinderopvangbeleid.

In het kader van de Oort-operatie is de aanvullende arbeidstoeslag vervallen en zijn de daarmee gemoeide middelen ingezet voor het kinderopvangbeleid. Onder meer deze middelen zijn ingezet voor de stimuleringsmaatregel kinderopvang 1991-1993 die door de gemeenten wordt uitgevoerd. Over deze maatregel zal na evaluatie - met een tussenevaluatie in 1992 - besluitvorming plaats vinden. De aanvullende alleenstaande-oudertoeslag is bij de Oort-wetgeving gehandhaafd. Onderdeel van de Stevens-voorstellen is het verdwijnen van de aanvullende alleenstaande-oudertoeslag onder optrekken van de alleenstaande-oudertoeslag tot de basisaftrek. Dit onderdeel zal worden meegenomen in de verdere fiscale beleidsontwikkeling.

11.3.1.3. Voorlichting

Voor de beslissing van gehuwde of samenwonende vrouwen om al dan niet deel te nemen aan het arbeidsproces, speelt het inzicht in de gevolgen van financiële regelingen een belangrijke rol.

In het kader van de voorlichtingsreeks over de belastingheffing is een brochure "Herintredende vrouwen" verschenen waarin nader wordt ingegaan op de aspecten die aan de orde komen als vrouwen (weer) betaald gaan werken. Dit onderwerp wordt ook behandeld in de publieksuitgave Per Saldo, die ter gelegenheid van Prinsjesdag 1992 ruim is verspreid, en is actief onder de aandacht van de media gebracht.